Giovanni Sollima

Giovanni Sollima
Giovanni Sollima

Tijdens het Storioni Festival 2013 was cellist/componist Sollima composer in residence. Hij schreef ter gelegenheid daarvan een pianokwartet, Short Trio Stories, voor de leden van het Storioni Trio aangevuld met een tweede cello-partij die Sollima natuurlijk zelf voor zijn rekening nam tijdens de première op de openingsavond van het festival, 18 januari 2013.

www.storionifestival.nl

www.giovannisollima.it

 

Jo Kondo

Jo Kondo
Jo Kondo

Paregmenon van de Japanner Jo Kondo (1947) voor strijkkwartet en percussie ensemble, geschreven op verzoek van Slagwerk Den Haag en door dat ensemble in première gebracht samen het Bozzini Quartet (Canada) tijdens de Gaudeamus week 2011 in Utrecht en later herhaald tijdens November Music 2011 in ’s-Hertogenbosch.

Zie ook interview met Kondo tijdens NM 2011.

Bryce Dessner

BryceDessner
Bryce Dessner

In het kader van het World Minimal Music festival dat in 2013 op drie locaties in Nederland gehouden werd, Eindhoven Amsterdam en Rotterdam, vroeg concertgebouw De Doelen het opdrachtgeld aan voor een nieuw werk van Dessner. Dat werd Seven short movements in the style of the Murder Ballad  – een sextet voor het  Ensemble Eight Blackbird (USA) dat de première speelde op 5 april 2013 in Eindhoven.

Mede begunstigde is Ensemble Lunatree (NL) die het werk o.a. uitvoerde tijdens het Bryce Dessner festival in Muziekgebouw Eindhoven op zaterdag 14 mei 2016.

Fragment

www.brycedessner.com

Peter Klatzow

Peter Klatzow
Peter Klatzow

Night Music with Illuminations voor fluit en marimba werd gecomponeerd op verzoek van Tatiana Koleva (m) en Eleonore Pameijer (fl). Met de titel verwijst deze Zuid Afrikaanse componist naar het schilderij De sterrennacht van Vincent van Gogh. Het nieuwe werk ging in aanwezigheid van Peter Klatzow in première op 27 april 2014 in de grote zaal van het Wereldmuseum in Rotterdam.

Meer informatie over Peter Klatzow

 

image3

Valgeir Sigurõsson

Valgeir Sigurõsson
Valgeir Sigurõsson

Op aanvraag van de stichting November Music schreef de IJslandse componist Valgeir Sigurõsson  No nights dark enough.

Het betreft een compositie van circa 30 minuten voor kamerorkest en live elektronica gebaseerd op een werk van John Dowland, Flow my Tears. De Nederlandse première vond plaats tijdens het festival November Music 2014 door de toen juist opgerichte philharmonie zuidnederland (uit een fusie van het Brabants Orkest en het Limburgs Symfonie Orkest). Co-opdrachtverstrekker was het Spitalfields Music Festival in London.

Donderdag 6 november 2014 in de Verkade Fabriek in ‘s-Hertogenbosch was een avond vol orkestrale kruisbestuivingen tussen pop, elektro en modern. Ook nu was de philharmonie zuidnederland de grote aanjager die vorig jaar het festival zo succesvol opende met Arvo Pärt en Rob Zuidam. Het orkest trekt ditmaal alle registers open met louter nieuw werk. Als speciale gast is de IJslandse elektronicameester Valgeir Sigurõsson overgekomen.
Producer Valgeir Sigurõsson aquarelleert als geen ander met duister getinte elektronicavegen in zijn werk voor orkest en live-elektronica No Nights Dark Enough. Artiesten als Brian Eno, Feist, Sigur Ros en Björk maken gretig gebruik van zijn meesterschap.

www.novembermusic.net

Meer over Valgeir Sigurõsson

Ian Wilson

Ian Wilson
Ian Wilson

In het festival voor muziek van nu door de makers van nu, November Music, editie 2014, ging van de Ierse componist Wilson The End of Desire in première, een één uur durend theatraal concert voor solo saxofonist, live elektronica en soundtrack. De aanvraag werd ingediend door Stichting AmstelQuartet, beoogd uitvoerder was en werd Ties Mellema, toen nog lid van het kwartet.

Uit de toelichting bij November Music: Een hoogstpersoonlijke ode aan de God van de Muziek. Moet een componist en musicus alleen nog maar vermaken of is er nog volop ruimte voor bezield experiment en innige bespiegeling. In de nieuwe muziekvoorstelling ‘The End of Desire’ gaan saxofonist Ties Mellema, de Ierse componist Ian Wilson en regisseur Jos van Kan samen op pad naar de waarheid. The End of Desire is een voorstelling voor saxofoonsolo en elektronica, zonder tekst. De voorstelling laat zien dat iedere sterveling en zelfs de Goden een kwetsbaarheid in zich dragen.

The End of Desire gaat over roekeloosheid en veerkracht, over moed en zachte krachten. Aanleiding tot deze diepzinnige muzikale reflectie is een ingrijpende sleutelgebeurtenis in het leven van Ties Mellema zelf. Hij verloor enkele jaren geleden door een ongeluk zijn vermogen om met twee handen saxofoon te spelen. Opgegeven door zijn artsen heeft hij, met een stug doorzettingsvermogen en een liefdevol geduld, via revalidatie zijn vermogens weer opgebouwd.
Ties Mellema en Ian Wilson sleutelden lang aan The End of Desire.

Meer over Ian Wilson

Meer over Ties Mellema

Een fragment van The End of Desire is terug te vinden via de site van November Music, jaargang 2014.

 

Fons Merkies

Kinderopera De Tweeling voor de stichting Xynix (thans Holland Opera), 1998

In een heel vroeg stadium van hun bestaan kwamen de zakelijk en artistiek leider van de stichting Xynix, respectievelijk Joke Hoolboom en Niek Idelenburg, met het verzoek om een compositie opdracht te verlenen aan Fons Merkies. Op dat moment nog helemaal niet bekend als serieus componist en daarom viel hij ook buiten de boot bij het toen nog onafhankelijk bestaande, maar nogal rigide oordelende Fonds voor de Scheppende Toonkunst.
De opdracht bestond uit een piano-solo compositie bij de operaproductie De Tweeling (voor kinderen in de basisschool-leeftijd), op een libretto van Annet Schaap.
In 2004 kwam de film De Tweeling uit (regisseur Ben Sombogaart naar het gelijknamige boek van Tessa de Loo uit 1993), en ook daarvoor componeerde Merkies de (film)muziek. Beide composities hebben uiteraard niets met elkaar te maken.

Inmiddels heeft zowel het jeugdoperagezelschap Xynix een geweldige ontwikkeling doorgemaakt naar Holland Opera, en Fons Merkies is vrijwel niet weg te denken als componist van goed bekeken Nederlandse drama- en politieseries op televisie.

Meer over Fons Merkies

Alfred Schnittke (1934 – 1998)

Met de opdracht voor de avondvullende operaproductie Life with an Idiot van de Russische, in Hamburg wonende componist Alfred Schnittke presenteerde de Eduard van Beinum Stichting zich in één klap als opdrachtgeefster van compositieopdrachten aan niet Nederlandse componisten die schrijven op verzoek van professionele Nederlandse orkesten en ensembles.
Het Rotterdams Philharmonisch Orkest en De Nederlandse Opera gaven de première van Life with an Idiot, op een oorspronkelijk libretto van de auteur van het gelijknamige boek, Viktor Jerofeyev, op 13 april 1992  in het Muziektheater Amsterdam. Een uitverkocht huis in aanwezigheid van toenmalig Koningin Beatrix en Prins Claus.

Een registratie van de opera met de eerste cast werd gemaakt voor Sony Classics

Fragment op YouTube

 

Schnittke’s Opera In World Premiere

AMSTERDAM, April 14— What may have been the most important event in Russian operatic history since the first staged performance of Prokofiev’s “Story of a Real Man” in Moscow in 1960 took place Monday night. In Amsterdam.

The occasion was the world premiere of “Life With an Idiot,” the first opera by Alfred Schnittke, who now lives in Hamburg, Germany, but who counts as Russia’s most respected, best-known living composer. The performance at the Netherlands Music Theater of this surrealist, often grotesque and sexually explicit score took place in the presence of Queen Beatrix and Prince Claus and was greeted with a fervent standing ovation.

Narrated by a character known simply as “I,” the libretto tells of a man guilty of some unidentified crime who is ordered by the party to bring an idiot into his home as punishment. But his idiot, Vova, soon starts disrupting his happy home. Eventually Vova seduces I’s wife and then I himself. Vova kills the wife, and I winds up in the asylum, an idiot himself.

The three Americans who took the principal roles — the baritone Dale Duesing as I, the soprano Teresa Ringholz as My Wife and the tenor Howard Haskin as Vova, the Idiot — won cheers, Mr. Duesing especially. But the greatest applause was for Mstislav Rostropovich, who conducted, and for Mr. Schnittke. The sight of Mr. Rostropovich, who is the most fervent hugger and kisser since Leonard Bernstein, tugging the shy and back-pedaling Mr. Schnittke into the limelight created one of the sweeter curtain calls in recent operatic annals.

It was not Mr. Schnittke and Mr. Rostropovich alone who made this such a significant occasion. The librettist was Viktor Yerofeyev, who based his work on his short story of the same name; Mr. Yerofeyev, who lives in Moscow, has had his first novel, “Russian Beauty,” published in 25 countries. The stage director was the 82-year-old Boris Pokrovsky, who has been associated with the Bolshoi Theater in Moscow since 1943 and was its chief stage director for 26 of those years. The decor was by Ilya Kabakov, a well-known avant-garde Russian artist.

All these talents came together because Pierre Audi, the innovative artistic director of the Netherlands Opera, “pounced” on the chance to commission the opera when he heard from the composer that he felt inspired by Mr. Yerofeyev’s story. Mr. Audi then brought Mr. Rostropovich on board and acceded to his wishes for the rest of the team. Mr. Rostropovich said he had been trying to collaborate with Mr. Pokrovsky for 18 years.

The premiere took place in Amsterdam, where it will play through April 30, for another reason as well. Russia long shunned Mr. Schnittke’s musical progressiveness and now, when it might wish to honor him, cannot afford to do so. There is even some thought, however, that Mr. Yerofeyev’s scabrous tale and Mr. Schnittke’s biting musical satire might still be too much for Russian conservatism. “I think this opera would shock people in Russia,” Mr. Yerofeyev said at the post-premiere reception. “When I wanted to do it at the Bolshoi, they told me they were too bolshoi for it.” In Russian, bolshoi means big or grand.

Mr. Yerofeyev has translated his story ingeniously to the stage, but the very act of expanding a highly literary tale into the broad gestures of opera has underscored the allegorical implications. The libretto does contain key phrases like I’s desire for “a blessed, holy-fool-type abnormality, national in form and content.” At the end — this is the last line of the story — he talks of “the swan song of my revolution.” Mr. Schnittke, for his part, satirizes everything in sight, including the “Internationale” in a version so dissonant that Mr. Rostropovich said it “smelled like Roquefort.” Soviet-style red is the dominant color of the production, the program book and the poster. Vova is even made up to look like Lenin.

Such hints point the viewer toward an interpretation of the opera as a critique of Communism, the ordinary Russian seduced and destroyed by mindless, systematic monomania. Marcel Proust wanders helplessly through the piece, and Mr. Yerofeyev said “he represents culture in this century, but Vova is stronger.” The Dutch press has labeled the opera “a requiem for the Soviet Union.”

In an interview, Mr. Rostropovich conceded with a wink that “of course” Vova was meant to look like Lenin, adding that “I always see the history of my country in this opera.” But all the participants also wished the opera to be perceived in more universal terms than mere political satire. “Vova is also Hitler or Saddam Hussein,” Mr. Rostropovich argued. “Any dictator with an idee fixe.”

Mordant skepticism has long been a part of Mr. Schnittke’s musical personality, and such tendencies dominate this opera. The often dissonant music ranges from the eerily atmospheric, to raucous ensembles, to singers and choral ensembles and instrumentalists spread about the theater, to a tango with Mr. Rostropovich at the piano, to a short but moving cello solo for the conductor, who also happens to be the world’s best-known cellist. The Role of Humor

Mr. Rostropovich and Mr. Audi even suggested that there was something inherently Russian in finding serious art funny — such as the eerie a trio that ends the opera, the Wife singing addled bird song, Vova howling “Ech” (the only word he ever sings) and I meandering on, as mad as Tom Rakewell at the end of Stravinsky’s “Rake’s Progress.” Mr. Rostropovich said that while that passage moved him to tears, Mr. Schnittke found it hilarious.

Mr. Schnittke, however, insisted that his music encompassed serious, unambiguously emotional sentiments, too. An admiring Russian composer in a recent BBC documentary film said that what made any Schnittke premiere exciting was that one never knew what kind of music one might hear. Although his “poly stylistic” approach constantly threatens to lose focus, Mr. Rostropovich insisted that the composer had “so strong a personality” that coherence was maintained.

Although Mr. Schnittke has had two physically debilitating strokes, one four years ago and one last June, his mind is sharp and he is pressing forward with two new operatic projects. Both are for the West, one on the Faust theme for Frankfurt and another on the life of the Renaissance composer Carlo Gesualdo for Vienna. Neither, he said, would tap his skeptical vein in any way.

All this work, he added contentedly, will be composed in Hamburg, not Moscow. He was surrounded by Russian well-wishers at the premiere, but he has no intention of returning to Russia any time soon.

Born in 1934 to a father born in Germany and a German-Jewish mother, he said that “I have long suffered in Russia because I have not one drop of Russian blood.” Mr. Rostropovich suggested that Mr. Schnittke’s case was “like a dog: if you always beat a dog, he is not coming back to the place where he was beaten. In Moscow all of Schnittke’s life, they beat him.”